Column Battie

2. jul, 2013

Als je twee hoog in de stad woont en allebei hele dagen buitenshuis werkt is een hond geen doen, maar woon je op het platteland, dan is het bijna een must. Dus toen wij vanuit Amsterdam verhuisden naar ons boerderijtje in Drenthe, zeiden Hans en ik verheugd tegen elkaar: “nu kunnen we eindelijk een hondje aanschaffen”. Toch gebeurde dit niet direct. Eerst was er de verbouwing en veel werkzaamheden in de tuin, wei en stal, toen een nieuwe, jonge merrie erbij die veel aandacht en opvoeding nodig had, enzovoorts. Het was steeds “nog niet het goede moment”. Maar wanneer dan wel? Nou: als je buren een nestje hebben natuurlijk.

Toen we hoorden dat Luna, de hond van onze buren, jongen zou krijgen begon het bij ons acuut te kriebelen. Zij voldoet immers precies aan onze voorwaarden: niet te klein of te groot, kortharig, een vriendelijk, vrolijk karakter, niet al te veeleisend wat betreft beweging en niet onmogelijk op te voeden voor mensen die nooit eerder een hond hebben gehad. Komt dat even goed uit. Vol verwachting volgen wij de zwangerschap en laten de puppy’s nou op mijn verjaardag geboren worden. Dat moet wel een teken zijn dat hier een hondje voor ons bij is!

 

Ze zijn allemaal aandoenlijk, maar na lang wikken en wegen kiezen we dan toch een puppy uit. “De ene daar, die lijkt net iets meer naar ons toe te trekken dan de rest.” Dagen delibereren we over een naam. En dan is het zo ver: we hebben ons eigen hondje in huis. Tycho, hebben we hem genoemd. Wat een pret. Maar ook: wat een zorg erbij. Onze zeven weken oude ‘baby’ is uiteraard nog niet zindelijk en moet er meerdere malen per nacht ‘uit’. Om over de ‘ongelukjes’ gedurende de dag, waardoor er steeds weer extra schoonmaaksessies moeten worden ingelast, nog maar niet te spreken.

En natuurlijk moet er niet alleen veel ‘uit’ gegaan worden, maar ook veel getraind. Want we willen uiteindelijk een keurig net opgevoed beestje én we willen het ook voor Tycho allemaal zo goed mogelijk doen. Boekjes over hondengedrag en -opvoeding vullen de salontafel, dito websites het beeldscherm en op zondagochtend gaan we gezellig met z’n drietjes op puppycusus…

 

Poe, poe, het is allemaal wat. Dus als deze Battie misschien iets minder dan perfect is, als er hier of daar nog een foutje in zit, weet u nu hoe het komt. De eindredacteur was gewoon een beetje moe…

 

Op de foto: Hans laat Tycho voorzichtig kennis maken met Gijs, waarbij een snoepje goede diensten bewijst.

 

Deze column is gepubliceerd in  de Battie, het blad van het Nederlands Stamboek voor Tinkers

30. mei, 2013

Mijn schoonzus en ik konden altijd al aardig met elkaar overweg, maar sinds enige tijd gaat het nog beter. We hebben allebei dagelijks te kampen met pubers en gedeelde ervaringen scheppen een band nietwaar? Begrijpend kijken we elkaar aan als een opdracht van een van ons weer eens beantwoord wordt met een afwijzend geknor. Eensgezind trekken we onze wenkbrauwen op bij het zien de buitengewoon afwijzende houding die onze beider dames zonder mankeren weten aan te nemen als iets ze ook maar even niet zint. We steunen elkaar.

 

Soms gefrustreerd, maar gelukkig meestal geamuseerd bespreken we het pubergedrag van onze wederzijdse zorgenkindjes. Ja, de dames vertonen echt alle klassieke symptomen. Mopperen en mokken, veel slapen, luieren en rondhangen, eigenwijs en eigenzinnig doen en last but not least: zéér regelmatig de kont tegen de krib gooien.

 

“Wordt het beter?”, vraag mijn schoonzus aan mijn oudere zus, die twee volwassen dochters heeft. “Daar mag je op hopen ja”, is haar enigszins zelfvoldane en voor ons weinig bemoedigende antwoord. “Maar bij die van mij duurde dat wel veel langer dan ik had verwacht.” We zuchten en nemen nog maar een kopje thee; een bakkie troost zal ik maar zeggen.

 

Daar knapt mijn schoonzus wel van op. Maar ja: of ze nou eeuwig blijven puberen of niet, zij kan er tenminste van uit gaan dat haar dochters over een aantal jaren in ieder geval de deur uit gaan. Daar hoef ik niet op te rekenen. Merries gaan tenslotte niet op kamers.

 

 

Deze column is eerder gepubliceerd in de Battie, het blad van het Nederlands Stamboek voor Tinkers.

 

 

 

30. mei, 2013

 

Het is wat, als je paard vrijwilliger is bij het Cavalerie Ere-Escorte (CEE). Dan sta je dus ineens op een ijskoude decemberdag je smerige Tinker te wassen. Want meneer moet morgen deelnemen aan een belangrijke militaire ceremonie. Hartstikke leuk natuurlijk, maar aan de andere kant is het geen pretje om middenin de winter een Tinkerbeest wit te krijgen.

Zeker niet als het bonte beest allerlei extra (door hemzelf gemaakte) vlekken heeft, zijn sokken en staart vol modder en stront zitten, de waterleiding op stal bevroren is en er dus vanuit de keuken met emmertjes warm water gesleept moet worden… Maar ja, je moet er wat voor over hebben om een ‘koninklijke knol’ te mogen huisvesten en verzorgen, neem ik aan.

 

De volgende dag mocht ‘majoor’ Gijs aan de bak. Hij maakte op een ijskoude veertiende december acte de préséance tijdens een groots opgezette militaire ceremonie. Deze vond plaats in ’t Harde, op de Legerplaats bij Oldebroek. Hier was het Regiment Huzaren, Huzaren van Boreel (RHHB) bijeen, omdat er een commando-overdracht plaats vond. Het commando over het Regiment Huzaren en over het Joint ISTAR ging over van kolonel Harold de Jong naar kolonel Rob van Zanten.

De reden voor de aanwezigheid van het CEE:  ook het Cavalerie Ere-Escorte en het Fanfarekorps Koninklijke Landmacht “Bereden Wapens” werden opgenomen in het Regiment Huzaren. Dit alles als gevolg van de zoveelste bezuinigingsronde (en dus inkrimping) bij Defensie. Daarnaast kreeg het CEE op deze dag ook een nieuwe ‘baas’. Luitenant-Kolonel Harry Kampen gaf na vijf jaar het commando van het Ere-Escorte over aan ranggenoot Jeroen Teunissen.

 

Voor ‘gewone burgers’ zoals wij is zo’n grootse militaire ceremonie altijd een beetje vreemd. Een plechtige sfeer, mannen en vrouwen in formele uniformen die voortdurend in- en uit de houding springen of marcheren op basis van geschreeuwde (maar meestal toch onverstaanbare) commando’s en zeer officieel klinkende - maar door al het jargon grotendeels onbegrijpelijke - speeches.

En stilstaan, veel en lang stilstaan. Dit tot grote ergernis van onze Gijs, die vond dat deze ijzige winterdag veel beter geschikt was voor beweging. Zijn berijder, huzaar Gert van den Hof, had op deze dag dan ook het nodige te stellen met onze doorgaans zo brave, bonte vriend!

 

Wat ik aan deze ceremonie overhield was een treurig gevoel. Want wat je mening ook is over ons leger, deze mensen zetten zich naar beste kunnen in voor ons land. Als beloning daarvoor zitten ze al jaren in het verdomhoekje: de ene bezuiniging volgt op de andere. En in tegenstelling tot het onderwijs en de zorg lijken maar weinig mensen buiten Defensie zich druk te maken om deze verschraling. Ik kan me zo voorstellen dat de gemiddelde Nederlandse beroepsmilitair pijnlijk getroffen is door dit gebrek aan erkenning.

Met de bezuinigingen gaan ook de nodige mooie tradities verloren. Zo liet het enige fulltime professionele militaire fanfareorkest ter wereld op 14 december nog eenmaal van zich horen. Dit beroepsfanfarekorps houdt per 31 december 2012 helaas op te bestaan. Als ik het goed begrijp  betekent dit dat de Nederlandse militaire fanfaremuziek het voortaan - net als de cavalerie - zal moeten hebben van goedwillende vrijwilligers. En dat is zonde. Hoe leuk wij het ook vinden om onze Gijs als vrijwillig paukenpaard te zien optreden.

 

Deze column is eerder gepubliceerd in de Battie, het blad van het Nederlands Stamboek voor Tinkers.

 

 

30. mei, 2013

Er zijn zo van die momenten dat je als ouders barst van trots, omdat je kind weer een mijlpaal heeft bereikt. Zoals u vast wel weet geldt dat zeker ook voor paardenouders. Zo’n mijlpaal bereikten wij deze week. Onze ‘kleine’ meid Talisha van het Boterveen kreeg haar eerste schoenen aangemeten! Tot nu toe kon ze zich prima redden op blote voeten. Echt werken was er immers nog niet bij. Véél in de wei staan, een beetje longeren of werken aan de dubbele lijnen, een enkel wandelingetje en dat alles voornamelijk op zachte ondergrond. Dat was het wel.

Maar binnenkort gaat het echte paardenleven beginnen voor onze bonte meid. Ze gaat terug naar Het Boterveen om beleerd te worden voor de wagen. En dat betekent onder meer: véél kilometers maken op de weg. Want ze moet niet alleen de kar leren trekken, maar ook verkeersmak worden gemaakt. Vandaar dat schoenen nu even noodzakelijk zijn.

 

De eerste tien minuten dat hoefsmid Dennis met haar bezig is gaan nog wel. De voorgaande keren heeft hij haar tijdens het bekappen al aan haar verstand gepeuterd dat het géén goed idee is om haar voet telkens los te trekken, op hem te hangen of om vriendschappelijk in zijn billen te bijten. Maar nu duurt het allemaal wel errug lang! Zeker voor een puber met een zeer beperkt concentratievermogen.

Ze zucht, snorkt, schuifelt, draait en schurkt. Dennis werkt stoïcijns door. Na de ‘lesjes’ van voorgaande keren is een duidelijk “Nee!” van zijn kant genoeg om Talisha haar gemak te laten houden. Voor even dan. Om vervolgens weer voorzichtig te proberen of ze hem écht niet kan overhalen om samen iets leukers te gaan doen dan hier op de poestplaats te staan frunniken aan haar voeten.

Dan zit het eerste ijzer eronder. Talisha schraapt met de betreffende voet, hoort een metalig geluid en kijkt verbijsterd naar haar voet: “Wat is dát nou?!?”. Ze snuffelt en snorkt. “Tssss! Er zit een ding onder!” Een paardensnoepje van mijn kant overtuigt haar ervan dat het blijkbaar een léuk ding is.

 

Na drie kwartier zijn de hoeven bekapt, zitten de ijzers eronder en is alles netjes afgewerkt. Ik pink nog net geen traantje weg over deze stap van ons meiske richting volwassenheid en leid Talisha door de stalgang naar buiten. Ietwat verbijsterd luistert ze tijdens het lopen naar het klipperdieklop van haar eigen hoeven. Ze kijkt nog eens naar haar voeten en zucht afkeurend. Ik lees haar gedachten: “Als ik dan toch schoenen moet, had ik liever roze pumps gehad!”.

 

Deze column is eerder gepubliceerd in de Battie, het blad van het Nederlands Stamboek voor Tinkers.

 

30. mei, 2013

Nou, Gijs en ik (Talisha van het Boterveen) waren er helemaal klaar voor, voor Oranje. Onze mensen hadden ons verteld dat het echt heel belangrijk is, dat voetbal. Ze hebben geprobeerd met uit te leggen hoe het spelletje werkt; iets over twee keer elf mannen die achter een bal aanrennen en dat ding in een netje moeten schoppen. Ze hebben zelfs geprobeerd om Gijs en mij het spel te leren; jullie zien daar hierbij een foto van. Het lukte niet echt. Gijs vond de bal doodeng en wilde niet meespelen. En ik vond het veel makkelijker om de bal met mijn neus te bewegen, in plaats van met mijn hoeven, maar dat mocht niet van mijn mensen.

 

Maar goed, dat voetbal is dus blijkbaar een zaak van internationaal belang. Cruciaal voor het imago van ons land. Volgens onze mensen moest iedereen daarom ‘onze jongens’ aanmoedigen door oranje dingen te dragen. Gijs en ik ook.

 

Nou, dat heb ik geweten! Ik moest uren (nou ja, drie kwartier) stil staan terwijl er oranje bloemetjes in mijn manen gevlochten werden. Voor Gijs - die een oranje lint in zijn manen en een oranje pluk in zijn voorlok kreeg - is zoiets geen probleem. Hij wordt minimaal een keer in de week gevlochten en is dat dus gewend. Bovendien is Gijs al zestien jaar en zo’n oude vent vindt het niet erg om een uurtje stil te staan. Maar ik ben op 27 juni pas drie geworden en langer dan tien minuten op de poetsplaats verblijven vind ik tijdverspilling.

 

Pff, het was echt afzien! En toen bleek een paar uur later ook nog dat het allemaal voor niets geweest was. ‘Onze jongens’ hadden verloren! Van een of ander onbelangrijk landje in het Noorden van Europa, waarvan de mensen niet eens wisten dat ze daar konden voetballen! Dat is dus mooi de laatste keer geweest dat ik me zo laat uitdossen voor een stom mensenspelletje.

 

Nee, voortaan zie je mij alleen nog maar in het oranje als onze eer in de paardensport op het spel staat. Want ook al sta ik liever niet zo lang stil, ik zal er voor de Olympische Spelen toch weer aan moeten geloven. Ga ik lekker Adeline en Parzival aanmoedigen. Laat Gijs die oudjes Anky en Salinero maar toejuichen. Hup, Holland, hup!

 

Door: Talisha van het Boterveen, met dank aan Els Buiting voor het uittypen

 

Deze column is eerder gepubliceerd in de Battie, het blad van het Nederlands Stamboek voor Tinkers.