30. mei, 2013

Pubers (april 2013)

Mijn schoonzus en ik konden altijd al aardig met elkaar overweg, maar sinds enige tijd gaat het nog beter. We hebben allebei dagelijks te kampen met pubers en gedeelde ervaringen scheppen een band nietwaar? Begrijpend kijken we elkaar aan als een opdracht van een van ons weer eens beantwoord wordt met een afwijzend geknor. Eensgezind trekken we onze wenkbrauwen op bij het zien de buitengewoon afwijzende houding die onze beider dames zonder mankeren weten aan te nemen als iets ze ook maar even niet zint. We steunen elkaar.

 

Soms gefrustreerd, maar gelukkig meestal geamuseerd bespreken we het pubergedrag van onze wederzijdse zorgenkindjes. Ja, de dames vertonen echt alle klassieke symptomen. Mopperen en mokken, veel slapen, luieren en rondhangen, eigenwijs en eigenzinnig doen en last but not least: zéér regelmatig de kont tegen de krib gooien.

 

“Wordt het beter?”, vraag mijn schoonzus aan mijn oudere zus, die twee volwassen dochters heeft. “Daar mag je op hopen ja”, is haar enigszins zelfvoldane en voor ons weinig bemoedigende antwoord. “Maar bij die van mij duurde dat wel veel langer dan ik had verwacht.” We zuchten en nemen nog maar een kopje thee; een bakkie troost zal ik maar zeggen.

 

Daar knapt mijn schoonzus wel van op. Maar ja: of ze nou eeuwig blijven puberen of niet, zij kan er tenminste van uit gaan dat haar dochters over een aantal jaren in ieder geval de deur uit gaan. Daar hoef ik niet op te rekenen. Merries gaan tenslotte niet op kamers.

 

 

Deze column is eerder gepubliceerd in de Battie, het blad van het Nederlands Stamboek voor Tinkers.